Randstad Holland: pleidooi voor een “historische” aanpak.

Nieuws

 
25-04
AMSTERDAM - Partijvoorzitter Michiel van Hulten treedt af als voorzitter van de PvdA. Hij zal dat woensdagavond in een vergadering van het... Lees meer...
 
1-02
Gisterenavond vond in Den Bosch het één na laatste debat uit de debatreeks ‘de Staat van Onze Democratie’ plaats. Het... Lees meer...
 
18-01
In de Randstad moet, in de plaats van de huidige vier provincies, één bestuur komen, dat de ruimtelijk-economische versterking van dit... Lees meer...

Activiteiten

Geen gerelateerd activiteiten in de komende periode gevonden.

ShareThis

Door Joop van den Berg
 
[1] Een Randstadprovincie heeft geen zin.
 
Sinds het begin van de nieuwe eeuw vallen er diverse pleidooien te beluisteren voor de oprichting van een zogenaamde Randstadautoriteit, meestal in de vorm van een Randstadprovincie. Dit laatste waarschijnlijk vooral om te vermijden dat voor een nieuwe bestuurlijke constructie in het westen des lands een wijziging van de Grondwet nodig is. Want ach, dan weten wij het wel in Nederland: dan komt er zeker niets van terecht. Terwijl, als men deze pleidooien leest, het vraagstuk van de bestuurlijke leiding over de Randstad Holland nogal urgent is. Een herziening van de Grondwet zou dus, afgezien van de geringe slagingskans, veel te veel tijd nemen.
 
Hier noem ik drie pleidooien die op zichzelf van belang zijn, ook voor wie het er uiteindelijk niet mee eens is. Het sterkste en meest doordachte rapport is dat van een commissie onder leiding van wijlen Ad Geelhoed en geschreven in opdracht van het Interprovinciaal Overleg (IPO), “Op schaal gewogen”, uit 2002[1]. Dit rapport gaat overigens over meer dan de Randstad alleen, het analyseert de mogelijkheden en de noodzaak van een steviger en meer toekomstbestendig middenbestuur in Nederland als geheel. Voor ons doel is het van belang dat de groep rond Geelhoed de urgentie benadrukt van de problemen in de Randstad en bepleit dat daar met voorrang aan wordt gesleuteld. Het gaat om de stagnerende ruimtelijk-economische ontwikkeling tegenover de veel te grote bestuurlijke drukte in en rond de Randstad. Wie kijkt naar de recente ontwikkelingen rond de totstandkoming en het niet functioneren van de eerste stukjes Randstadrail of het gedoe met het laatste stukje A4 tussen Delft en Schiedam, weet hoeveel reden tot ergernis er is. Ietwat ruw geformuleerd: Geelhoed c.s. verlangen een Randstadprovincie die in staat is, als opdrachtnemer van het Rijk en vervolgens opdrachtgever aan gemeenten, orde te scheppen en het gebied weer tot bloei te brengen.
 
Bij wijze van follow up zijn vier provinciebesturen (niet allemaal even hartelijk) en vier grote steden als “Holland Acht” dit pleidooi gaan herhalen[2], ook al omdat zij waarnamen dat de opeenvolgende kabinetten Balkenende niet veel haast maakten met de aanpak van de Randstad. Sterker nog, het rapport Geelhoed werd ijlings achter de verwarming gepropt, ook omdat de VNG er nogal tegen te hoop liep en na Fortuyn het woord “schaalvergroting” tot de politieke pornografie ging behoren. Pas in het derde jaar van het bestaan van Balkenende II zag de minister van BZK, Johan Remkes plotseling het licht in zijn werkstuk over het middenbestuur[3]. Hij vroeg vervolgens een commissie onder voorzitterschap van oud-premier W. Kok om een nieuw advies[4].
 
Ook dit advies kwam met het verlangen naar een Randstadprovincie die overigens vier van de huidige twaalf provincies zou moeten omvatten. Bij Kok en de zijnen speelde vooral de economische positie van de Randstad een beslissende rol. De cijfers, althans die tussen 2001 en 2005, suggereren stagnatie en relatieve achteruitgang ten opzichte van andere stedelijke samenballingen in Europa. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de fraaiste relatieve groeicijfers in die periode afkomstig zijn van Madrid en Dublin, steden die aan een enorme inhaaloperatie bezig zijn, maar lang niet de betekenis hebben van Londen en Parijs en evenmin van de Randstad[5].
Van belang is ten slotte, dat de provinciebesturen in Nederland eigenlijk af willen van de stadsregio’s (de voormalige “kaderwetgebieden”) die de handelingsruimte van provinciale besturen nogal beperken. Daarin hebben zij vermoedelijk gelijk. Stadsregio’s zoals wij die nu kennen, zonder perspectief op doorgroei naar sterke stadsprovincies (of nog liever: agglomeratiegemeenten) hebben geen toekomst, in elk geval niet in het westen. Ze worden enerzijds te veel afhankelijk van de traagste en meest parasitaire partner. Anderzijds vormen zij een aanslag op goede democratische verhoudingen in het lokale bestuur en vooral op het gezag van de gemeenteraad daarin. Langzaamaan ziet men een aantal van de grootste steden zich dan ook afvragen of niet beter afscheid kan worden genomen van deze “Wgr-plus” constructies zonder verder reikend perspectief.
 
Daarbij voegt zich nog een andere vitale kwestie. Het gaat immers niet alleen om de ruimtelijk economische ontwikkeling van de steden in het westen maar ook om de toekomst van een open Groene Hart. De commissie-Kok heeft daar terecht veel aandacht voor, onder meer omdat het hier niet alleen gaat om een ecologische vraag van de eerste orde maar ook om een economische kwestie. Anders gezegd, wie is in staat het gebied open te houden en als groen gebied te bewaren maar het tevens te ontwikkelen en te ontsluiten, zodat niet alleen de koeien er gebruik van kunnen maken? Het gaat om twee zijden van één medaille: landelijk en stedelijk gebied zijn voor hun ontwikkeling sterk van elkaar afhankelijk.
 
Probleem is dat tot nu toe de provinciale besturen noch de “landelijke” gemeenten in het Groene Hart in staat zijn gebleken om de verstedelijking van dit gebied – terecht verrommeling genoemd – tegen te houden. Evenmin hebben zij het gebied effectief ontsloten voor stadsbewoners die naar buiten willen. Daartoe missen zij de bestuurskracht, de capaciteit tot handhaven en soms, denk ik wel eens, ook de bereidheid daartoe. De dynamiek in het gebied is ook eigenlijk te groot voor kleine gemeenten. Dat, terwijl Noord- en Zuid-Holland nog steeds de meeste gemeenten van minder dan 10.000 inwoners kennen die ons land rijk is.
 
Een Randstadprovincie als remedie lost echter niets op, zeker niet indien er niets wordt gewijzigd aan de bevoegdheden waarover die beschikt. Maar zelfs dan: verruiming van territorium betekent nog geen verruiming in bestuursvermogen; eerder verruiming van incompetentie. Hollandse provincies dragen een geschiedenis van eeuwen met zich mee, waarin zij stelselmatig de politieke afgeleiden waren van de steden in het gebied. In de Republiek van “last en ruggespraak” was dat zelfs formeel het geval. Sindsdien is dat niet anders geworden, ook al namen de bevoegdheden van de provinciale besturen in de negentiende en twintigste eeuw toe.
 
Ook in de Randstad hebben provincies een rol te vervullen, maar niet de rol die hun door commissies als die van Geelhoed, Holland Acht en Kok is toegeschreven[6]. Daarvoor missen zij elke traditie en competentie. Bestuurstalent trekt in Holland (en Utrecht) eerst naar de stad of naar de staat, niet naar de provincie. Dat verandert niet zomaar als er bestuurlijk ergens een wissel wordt omgezet. De Randstad vormt een te urgent vraagstuk voor experimenten met zulk een groot afbreukrisico. Wij zullen iets beters moeten verzinnen, maar niet dan nadat wij hebben waargenomen dat in sommige opzichten het probleem heel overzichtelijk is.
 
[2] Er is al een Randstadautoriteit.
 
Er is al lang een Randstadautoriteit: die zetelt in Den Haag en heet regering, maar doet haar werk blijkbaar niet. De richting van het beleid in het gecompliceerde geheel dat Randstad heet en ongeveer de helft bevat van de inwoners van Nederland en die voorts de motor is van alle economische, maatschappelijke en culturele ontwikkeling in ons land, kan maar op één plek worden bepaald. Die plek heet Binnenhof, waar regering en parlement zetelen. Daar kan niet worden verzaakt aan plichten jegens de Randstad met als argument dat er ook nog een andere helft van het land is. Die heeft haar eigen aandacht nodig naast die voor de Randstad.
 
Het is overigens een goed teken dat het nieuwe kabinet een minister heeft aangewezen, die de centrale verantwoordelijkheid draagt voor de ontwikkeling van de Randstad. Niet toevallig is dat de minister van Verkeer en Waterstaat geworden, al was het maar omdat de fysieke infrastructuur waarschijnlijk het meest urgente vraagstuk is. Op eerste oog zou misschien de minister van BZK voor de hand liggen of die van VROM, maar beiden missen de machtsmiddelen om collegae in een bepaalde richting te dringen of de benodigde ruilhandel aan te gaan. Opvallend is wel, dat daardoor de zaak in handen is gekomen van een wel heel weinig randstedelijk type mens als de christen-democraat en Limburger Camille Eurlings, maar dat kon wel eens een paradoxaal voordeel blijken te zijn. Als pleitbezorger van het westen is hij al snel geloofwaardiger dan een sociaal-democratische Amsterdammer, om maar eens een zijstraat te noemen.
 
Wat de zaken zo ingewikkeld maakt is, dat de Randstad, hoe ook gedefinieerd en begrensd, geen ruimtelijk–economisch samenhangend geheel vormt. Een recent rapport van het Ruimtelijk Planbureau maakt aannemelijk dat er in veel opzichten wel sprake is van samenhangen, maar dan meer in wat gebruikelijk “noordvleugel”, respectievelijk “zuidvleugel” wordt genoemd, waarin bovendien sprake is van centrale steden als brandpunt[7]. Oftewel, sinds de zestiende eeuw is er minder veranderd dan wel eens wordt aangenomen[8].
 
Het RPB ontkent van lieverlede zo ongeveer elke samenhang in het gebied dat als een hoefijzer loopt van Utrecht naar Dordrecht (of is het eigenlijk: tot Antwerpen?), maar die is er wel. Ook het RPB geeft toe dat de mobiliteit en daarmee ook de woningmarkt in de Randstad één geheel vormen. De fysieke infrastructuur vormt daarmee de eerste en belangrijkste opgave van de Randstad Holland naast de volkshuisvesting. Voor het eerste heeft het kabinet in elk geval een verantwoordelijk minister aangewezen.
 
Voor de volkshuisvesting en de daaraan gerelateerde integratievraagstukken, van zulk belang voor de grote steden, is er eveneens een ministerieel leidinggevende, de minister van WWI, Ella Vogelaar. Maar haar zijn, juist waar het de woningmarkt betreft, weer zo de handen gebonden door het regeerakkoord – het taboe op de hypotheekrenteaftrek en het huurniveau tegelijk – dat het de grootste moeite zal kosten daar beweging in te brengen. Als naast de commissie-Kok nu al ook al de makelaars in het westen ongerust worden over de prijs van koophuizen, wordt het misschien toch tijd dit dubbele taboe te doorbreken[9].
 
Hoe dan ook, alleen de staat beschikt over de mogelijkheden deze twee problemen aan te pakken: het is immers een kwestie van veel geld, veel toegespitste kennis en (wettelijke) doorzettingsmacht, die steden en provincies per definitie in een eenheidsstaat missen. Het gaat er op rijksniveau om de samenhang te organiseren tussen ministers en hun departementen en daarvan vervolgens doeltreffend gebruik te maken. De grondwet kan daarbij ongemoeid blijven; veel wetswijziging is er evenmin voor nodig; wel leiding en wel organisatie van samenhang. Geen staatsrechtelijk maar een bestuurskundig probleem. Wat het niet bij voorbaat minder weerbarstig maakt.
 
Er is nog een bemoedigende wetenschap. Het ministerie van LNV is, dankzij een van de beste ministers van Landbouw die wij in Nederland sedert 1945 hebben gehad, Kees Veerman, minister van landelijk gebied geworden. Middelen, ook Europese, die tot voor kort uitsluitend voor landbouw werden aangewend maar die van de EU al geruime tijd breder mochten worden ingezet, zijn door minister Veerman ondergebracht in een Investeringsfonds Landelijke Gebied (naar het voorbeeld van het investeringsfonds stedelijke vernieuwing, ISV) en kunnen door de provincies worden ingezet voor de economische ontwikkeling van het landelijke gebied, bij voorbeeld voor de ontsluiting van het Groene Hart. Dat kan het niet meer alleen van de agrarische bedrijvigheid hebben; ook daar zijn nieuwe economische dragers nodig die de natuur zowel beschermen als toegankelijk maken.
 
De nieuwe minister van LNV, mevr. Gerda Verburg, zelf uit het Groene Hart afkomstig, is zich van haar rol als mede-eigenaar van de ruimtelijk-economische ontwikkeling van het westen des lands zeer bewust. Provinciebesturen krijgen nu de middelen te bewijzen dat zij in staat zijn het gebied van het Groene Hart, onder leiding van LNV, effectief te ontwikkelen. Dat kan overigens alleen als zij daarbij worden gesecondeerd door voldoende bestuurskrachtige steden.
 
Aldus heeft het ministerie van VROM zijn eigen irrelevantie weten te bewerkstelligen. Volkshuisvesting is verenigd met integratie, maar wel met een dichtgetimmerde woningmarkt en afgestane zeggenschap over woningcorporaties. De stedelijke ontwikkeling is, afgezien van de stedelijke vernieuwing, grotendeels afgestaan aan V&W en het landelijk gebied aan LNV. Milieupolitiek zonder effectieve zeggenschap over de ruimtelijke ordening, men kan er minister Cramer alleen maar sterkte mee wensen. Merk op dat de relevante ministeries van ruimtelijke ordening (vergeet ook niet Economische Zaken!) alle in handen zijn van het CDA.
 
Tot zover is er reden te geloven dat er een ruime kans is voor een nieuwe start met de ontwikkeling van Randstad en Groene Hart, die immers twee zijden zijn van één medaille. Als de regering haar mogelijkheden dan ook maar benut. Dat spaart ons een Randstadprovincie. Daarmee is echter lang niet alles gezegd, want de regio moet ook zichzelf organiseren; daar immers moet het meeste feitelijke werk worden gedaan. Daar moet, zoals altijd in economie en ruimtelijke ordening het initiatief vandaan komen. Maar dan wel zo, dat die economische bloei er ook werkelijk komt en tegelijk het gebied bewoonbaar blijft in alle betekenissen van het woord. Daarvoor moeten wij de blik wenden naar de stad.
 
[3] Maatstaven voor bestuurlijke structuurpolitiek: een geloofsbelijdenis.
 
Als het gaat om de gedachtevorming over de organisatie van het openbaar bestuur is er vanuit de bestuurswetenschappen van alles over gezegd, maar daarbij vallen twee dingen tegelijk op: de geleerden zijn het onderling nooit eens, maar zij zijn het meestal wel opvallend eens met hun opdrachtgevers. Daar hebben wij dus niet veel aan.
 
Naar mijn opvatting is de organisatie van het bestuur een kwestie die niet in elk deel van het land van hetzelfde antwoord kan worden voorzien. Een gebied met een hoge dynamiek vergt grotere gemeenten dan een gebied met een betrekkelijk overzichtelijk geheel van opgaven. Met andere woorden, in Drente hoeven de gemeenten lang niet zo groot en sterk te zijn als in de Randstad. En in het Groene Hart: want goed beheer brengt er een hoge dynamiek met zich mee en vergt dus ook daar een zeer sterk bestuur.
 
Voorts gaat het, denk ik, om een vraagstuk waar de historie en de traditie niet mogen worden genegeerd. In een gebied met een dominante stedelijke traditie, ook als het gaat om het beheer van buitengebied, past geen organisatie die zich als het ware met de rug naar de stad keert en deze afsluit. Zo haalt men alle kracht uit het stedelijk bestuur, maar daarmee ook uit de streek erom heen. Coördinatie en arbitrage bij provinciale besturen neerleggen is mogelijk als die daarin een traditie hebben opgebouwd en gedemonstreerd. Als dit niet zo is, past hun de bescheiden rol die zij, althans in het westen, doorgaans hebben vervuld[10].
 
Voor alles is de organisatie van het openbaar bestuur een politieke vraag, ook al proberen wij die in Nederland nog zo amechtig te depolitiseren, zoals alles wat politiek een beetje pijn zou kunnen doen. Noem het een geloofsbelijdenis, maar: organisatie van openbaar bestuur is organisatie van solidariteit, tussen rijk en arm, tussen jong en oud, tussen stedelijke dynamiek en landelijke rust, omdat die elkaar allemaal nodig hebben. En dus tussen kernstad en randgemeenten. Het mag zo zijn, dat door de herverdeling van het Gemeentefonds in 1996 voor allerlei ongelijkheid tussen gemeenten financiële compensatie is geleverd; dat was ook niet van onbelang. Maar het is een te beperkte opvatting van wat ik beschouw als organisatie van solidariteit. Het betaalt solidariteit slechts af.
 
Dat brengt derhalve met zich mee dat er een einde moet komen aan herindelingen en schaalvergroting die systematisch gaan ten koste van de centrale stad en haar ontwikkeling. De totstandkoming van gemeenten als Teylingen, Lansingerland, Leidschendam-Voorburg en in de vroege jaren tachtig Rijnwoude zijn voorbeelden van herindelingen waarin alles goed was, als de kernstad er maar niet beter van werd. De treurige geschiedenis van de schrieperige uitbreiding van Den Haag met Ypenburg en de verbeten weerstand tegen het idee dat Leiden er hetzij Warmond hetzij het ex-vliegveld Valkenburg bij zou kunnen krijgen (om van Oegstgeest of Voorschoten maar te zwijgen) ligt nog vers in het geheugen.
 
Ook elders in Nederland is het zo gegaan: ’s Hertogenbosch dat er alleen met de grootste moeite Rosmalen bij kreeg (maar bij voorbeeld niet Vught) en steden als Assen, Deventer, Doetinchem en Roermond die allemaal vooral niet echt groter mochten worden. Om vervolgens de niet-stedelijke gemeenten ondanks beloften van het tegendeel toch vrolijk vol te gaan bouwen. Wanneer kan dit proces van bestuurlijke verrommeling, die ruimtelijke verrommeling produceert, worden beëindigd?
 
Ruimtelijk-economische ontwikkeling en het bijbehorende beleid vereisen voorts, daar hebben de commissies van Geelhoed tot en met Kok gelijk in, ownership. Er moet een bestuurlijke eenheid boven staan die in staat is zich het vraagstuk of de opgave eigen te maken, er de nodige kennis voor te mobiliseren en het vervolgens met kracht aan te pakken. Samenwerking vermag veel maar nu juist niet de adequate aanpak van dit soort vraagstukken. De ontwikkeling van de Zuidplaspolder ten noorden van Rotterdam of de ontwikkeling van de Greenport (in het bijzonder boomsierteelt) in en rond Boskoop eisen een krachtdadig gemeentebestuur dat zich eigenaar weet van deze opgaven[11]. Zoals dat eerder voor elkaar is gebracht, onder druk van de bewoners zelf, in het kassengebied van het Westland dat nu een gemeente heeft van 90.000 inwoners. Gemeenschappelijke regelingen scheppen alleen maar ingewikkelde en trage besluitvorming, te veel ontsnappingsmogelijkheden en inderdaad veel bestuurlijke drukte om niks[12]. De beide Hollandse provincies hebben dus met grote urgentie grote en krachtige gemeenten nodig in plaats van het al te talrijke kleine grut van vandaag.
 
Herindelingen verdienen om nog een andere reden met behoorlijke schaalvergroting gepaard te gaan. (Wat overigens allerlei vormen van inwendige decentralisatie helemaal niet uitluit; ook dat is een intrinsiek politieke vraag.) Ze eisen veel energie op, zowel van bestuurders als van ambtenaren die met elkaar moeten leren samenwerken, maar ook van de bevolking die zich op nieuwe communicatielijnen met het bestuur moet instellen. Zoiets kan je niet eens per twintig jaar doen. De houdbaarheid van een nieuwe gemeente dient verder te reiken, eigenlijk ongeveer een halve eeuw. De meeste herindelingen van de laatste decennia zullen veel eerder versleten blijken te zijn.
 
Ten slotte zijn wij, naar mijn overtuiging, toe aan de doorbreking van een buitengewoon schadelijk denkpatroon, als het gaat om de gemeentelijke organisatie. De gedachte daarbij is dat het de stad allereerst zal zijn te doen om expansie: in een steeds groter gebied stenen stapelen, waartegenover landelijke gemeenten dan het best in staat zouden zijn de natuur te bewaken.
 
Geen van beide stellingen klopt nog langer. Steden hebben een vitaal belang ontwikkeld bij een groene omgeving, bij bewaring en ontsluiting van natuur. Niet langer is de stad gebaat bij “groene longen” binnen en tussen bewoonde wijken in de vorm van grotere en kleinere parken. Ook buiten de bebouwde kom is grote behoefte aan groene longen en om de natuur tot ontwikkeling te laten komen en die, met behoud van haar kwaliteit, toegankelijk te maken voor meer dan koeien en een paar boeren. Enigszins modieus geformuleerd: leisure wordt een belangrijke pijler onder de stedelijke economie. De jongste Stadsvisie 2030 van de gemeente Rotterdam laat dat heel aanschouwelijk zien[13]
 
Landelijke gemeenten zijn doorgaans te klein om de beheersactiviteiten aan te kunnen die zeker in een regio als de Hollandse, die per definitie onder enorme druk staat, daarvan worden gevergd. Daarvan is sterke capaciteit tot handhaving een essentieel onderdeel, dat in landelijke gemeenten doorgaans ontbreekt. Helaas, boeren zijn in zulk “hoge drukgebied” niet de meest betrouwbare bondgenoten van de natuur. Hun terechte behoefte aan verzekerde welvaart (en ouderdomspensioen) brengt hen gemakkelijk in de verleiding hun grond te verkopen aan projectontwikkelaars. Handhaving en ontwikkeling van natuurfuncties, groenontwikkeling en de ontsluiting daarvan zijn, bijna per definitie, bij landelijke gemeenten niet (meer) in goede handen.
 
[4] Een Verbond van Hollandse Steden.
 
Tot de primaire opdracht van de moderne grote stad behoort niet langer alleen de ontwikkeling van woonwijken en bedrijfsterreinen en al wat daarmee verband houdt. Daar hoort ook het beheer bij van de groene ruimte die aan de stad haar adem verschaft. Dat is geen zaak meer van taakverdeling tussen “stedelijke” en “landelijke”gemeenten. Ook het beheer van het groen vereist, gezien de complexiteit van de opgaven daarin te vervullen, ownership en dus het vermogen problemen op te lossen. Dit betekent dat steden dienen te worden omringd, binnen hun gemeentegrenzen, door groen gebied, waar het agrarisch bedrijf zijn werk kan doen maar waar ook de stedelijke bewoner terecht kan. Het betekent dat steden gebieden in beheer krijgen juist om te voorkomen dat zij rood gekleurd raken door de bebouwing.
 
Om dit geloofwaardig te kunnen doen, behoort de stad haar zuinigheid op alle ruimte binnen haar grenzen te demonstreren: door ten koste van veel af te zien van het aanleggen van nieuwe bedrijfsterreinen en door het herbenutten van oude; door ten koste van veel af te zien van ruimtelijke expansie ten behoeve van de woningbouw en de kracht te zoeken in benutten van (excusez les mots) herbouw en vernieuwbouw en dus inbreiding. Dat betekent niet alleen kiezen, het betekent ook naar verhouding kostbare keuzes. Daar moeten steden dan wel de mogelijkheden toe krijgen. Daarom zullen ook mevr. Vogelaar (WWI), mevr. Cramer (ISV) en mevr. Verburg (ILG) veel en grondig met elkaar moeten spreken: die drie kunnen elkaar van dienst zijn maar vooral ook het natuur minnende stadsbestuur.
 
Vervolgens zullen daarom, in zowel noord- als zuidvleugel, de Hollandse kernsteden uit de wurggreep van hun randgemeenten moeten worden bevrijd en zal daarom een onmiddellijk einde moeten worden gemaakt aan gemeentelijke herindeling “met de rug naar de stad”. Er zal integendeel een nieuw en voor de Randstad systematisch herindelingsbeleid moeten worden ontwikkeld. In de huidige wettelijke constellatie berust het initiatief daartoe bij de besturen van de provincies, maar naar te vrezen valt is dit te groot voor provinciale bestuurders in de Randstadprovincies.
 
Het treft niet dat het regeerakkoord van het huidige kabinet de hete aardappel naar de provincies heeft geschoven. Dat deed het vorige kabinet ook al, maar niettemin zag minister Remkes, in 2006 in dat het zo niet ging. Hij was alleen te laat om er nog echt mee aan het werk te kunnen. De huidige minister, Ter Horst, kan ondanks een hinderlijke tekst in het regeerakkoord, maar beter niet te lang wachten met duidelijke stimulansen te geven. Wettelijk kan zij niet zoveel meer dan dat, maar minder hoeft ook niet en is in het verleden effectief gebleken.
 
Maar de Hollandse steden kunnen andermans daden maar beter niet afwachten. Het zou voor de hand liggen als al die beknelde steden – niet alleen de G4 – zich verenigen tot een Verbond van Hollandse Steden die het initiatief naar zich toetrekken dat zij historisch steeds hebben gehad en die in elk geval tegenover provincies en rijk één lijn trekken in de behartiging van een paar vitale belangen: ruimte voor interne solidariteit; ruimte voor toekomstige ontwikkeling en welvaart, met inbegrip van het beheer over de omgevende natuur, die de groene longen zijn van het Hollandse (en Utrechtse) stedenlandschap. Waarbij zij gezamenlijk provinciale besturen de weg wijzen bij de besteding van het nieuwe Investeringsfonds Landelijke Gebieden. Het ISV kunnen zij ook zonder provincie wel aanwenden waar dat nodig is. Johan de Witt sprak, als het over het wezenlijk bij de Hollandse steden liggende gezag ging, al over de “ware vrijheid”. Dit verbond zou ook niet meer moeten samenwerken dan nodig is om hun kracht te bewijzen. Want steden zijn er, groot en klein, om elkaar in alle vriendschap tot concurrent te zijn. Samenwerking waar nodig, mededinging waar mogelijk.
 
De vraag is nog of de weggekwijnde gedachte van regionaal bestuur in grootstedelijk gebied herleving zou moeten ondergaan, bij voorbeeld door gemeentelijke agglomeraties te vormen rond Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. De complexiteit van het antwoord is, vrees ik, net iets te groot voor dit artikel. Alleen al de vraag naar de vereiste indeling van de drie genoemde steden en de interne bevoegdheidsverdeling in die agglomeraties is niet gemakkelijk te beantwoorden. Wel is duidelijk dat, nadat Amsterdam en Den Haag al met steeds pijnlijker ruimtegebrek en hinderlijke beknelling door hun randgemeenten zijn geconfronteerd, nu ook het ruimer bemeten Rotterdam langzaam aan zijn grenzen raakt.
 
Misschien moet deze vraag ook maar even blijven liggen om het bondgenootschap van Hollandse steden een ongestoorde kans te bieden. Ze zijn immers voor hun ontwikkeling alle van elkaars ruggesteun afhankelijk, zeker als zij meer willen dan “stenen stapelen”.
 
Ook dan zal er provinciaal bestuur nodig blijven voor, wat met een modewoord heet, mediation , coördinatie en initiatief waar het gaat om het landelijk gebied als geheel en om, waar mogelijk te waken tegen verkokering bij zowel landelijk als stedelijk bestuur. Of dat met één grote provincie moet, dan wel met kleine provinciale besturen temidden van rijksonmiddellijke grote steden, hangt af van de taken die provincies dienen te vervullen. Het kan met minder dan vijf, want naast Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en (een deel van) Flevoland tel ik er Zeeland ook bij. Die provincie hoort niet bij het zuiden, maar vormt een grote tuin tussen de Randstad en de Vlaamse Ruit. “Randstedelijk relevant”, derhalve.
 
De centrale opdracht aan regering en parlement is hiervoor al uiteengezet. Het zal de verbindingen moeten leggen, te water, op de weg en op de rails en trouwens ook elektronisch. Wat een uiterst ingewikkeld, kostbaar en secuur werkje is geworden en daarom nergens anders valt te deponeren. Daarbij treft het niet dat allerlei vormen van openbaar vervoer in de laatste decennia zijn geprivatiseerd of verzelfstandigd. Het belemmert het rijk bij de benodigde regie. Voorts heeft het rijk zichzelf geen dienst bewezen door deskundige ambtelijke diensten te verzelfstandigen tot zelfstandige bestuursorganen zonder doeltreffende controle en door via de algemene bestuursdienst (ABD) capabele ambtenaren periodiek door het bureaucratisch heelal rond te gaan slingeren totdat zij gewaarborgd op plekken terecht zijn gekomen waar zij van de zaken geen verstand hebben en alleen (hoopt men) van management. Er is aldus veel geheugen en kennis van zaken aan de rijksdienst ontvallen. Ministers zullen niet alleen de leiding moeten nemen maar ook nog enig herstelwerk moeten verrichten, na de verwoestingen die sedert het begin van de jaren negentig door het New Public Management zijn aangericht, onder het goedkeurende oog van de meeste ministers sinds het aantreden van de paarse coalitie.
 
Zeker, een wijze van aanpak als deze zal veel frictie met zich meebrengen. Het zal niet aldoor “samen leven, samen werken” worden in de Randstad en het Groene Hart. Ooit zei Gerard Reve het echter al: “Gelazer komt er toch; doe het dan meteen grondig”.
 
 
 
 
Prof. dr. J.Th.J. van den Berg
is voorzitter van de redactie van dit jaarboek, oud-voorzitter van de directieraad van de VNG en (honorair) hoogleraar aan de Universiteit Maastricht en voorzitter van het Forum voor Democratische Ontwikkeling.
 
  
 
 
 
 
 
 


[1] Commissie Regionaal Bestuur in Nederland, Op schaal gewogen, Den Haag (IPO) 2002.
[2] Slagvaardig bestuur voor de Randstad. Manifest van de “Holland Acht”, z.p. 2005; ook: Commissie Burgmans, Randstad Holland in een globaliserende wereld, z.p. 2006.
[3] Maatwerk in het middenbestuur. Discussienota van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Den Haag, 2 mei 2006.
[4] Advies Commissie Versterking Randstad, Den Haag 2007.
[5] Regio Randstad, Randstadmonitor 2006, Utrecht 2007, 11 en 25 – 31.
[6] Contra de Randstadprovincie ook: Paul Bordewijk, Randstadbestuur of rampbestuur, in: B&G, november 2006, 30 – 33; Raad voor het openbaar bestuur, Bestuur op maat, Den Haag 2006.
[7] Jan Ritsema van Eck e.a., Vele steden maken nog geen Randstad, Rotterdam (NAi-Uitgevers) en Den Haag (Ruimtelijk Planbureau), 2006.
[8] Geoffrey Parker, The Dutch Revolt, Pelican Books 1979 (first published 1977), 19 – 30. Zie ook het mooie artikel van Jan Franssen, Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, die met een verwijzing naar het werk van de Franse historicus Braudel (Le Temps du Monde) spreekt over de “stedenband van de Hollandse metropool”. En dan toch pleiten voor één regiobestuur (lees: randstadprovincie), zoals hij doet? Jan Franssen, Randstadregio, niet óf maar wannéér, in: Max de Bok en Hans Prakke (red.), 45 Jaar Nieuwspoort. Het vrije woord, Den Haag 2007, 103 – 107.
[9] De Commissie-Kok wijst vier kernproblemen aan in de Randstad: (1) de ruimtelijk-economische stagnatie; (2) de gebrekkige ontsluiting van het Groene Hart; (3) de afnemende attractiviteit als vestigingsplek; (4) de niet adequaat functionerende arbeidsmarkt. Advies, 10 – 12.
[10] Een prachtige analyse van de relatie tussen de Hollandse steden en de provincie Holland, al in de zeventiende eeuw, levert: J.L. Price, Holland and the Dutch Republic in the Seventeenth Century: The Politics of Particularism, Oxford 1994, 109 – 205.
[11] Commissie-Van den Berg, De puzzel passend gemakt. Over fusie van gemeenten in het hart van Zuid-Holland, Den Haag, Provincie Zuid-Holland, 2007.
[12] Kritisch over gemeenschappelijke regelingen ook: VNG-commissie Gemeentewet en Grondwet, De Eerste Overheid, Den Haag 2007. Deze commissie, in de wandeling: Commissie-Van Aartsen, gaat zelfs zover dat zij de Wgr het liefst helemaal ecarteert.
[13] Gemeente Rotterdam, Stadsvisie Rotterdam. Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030. Concept, Rotterdam 2007.