Open Brief aan de Politieke Partijen in Nederland

Nieuws

 
10-12
  Vandaag is het 10 december, de datum waarop in 1948 door de VN de Universele verklaring voor de rechten van de mens werd aanvaard. De... Lees meer...

Activiteiten

Geen gerelateerd activiteiten in de komende periode gevonden.

ShareThis

Door Cornelis Schavemaker & Joop de Vries

Open Brief aan de Politieke Partijen in Nederland

 

Herschrijf artikel 23 in de geest van de rechten van de mens en de rechten van het kind.

 

Status quo

 

Het onderwijs is een voorwerp van aanhoudende zorg der regering en de regering doet jaarlijks verslag van de staat van het onderwijs aan de Staten-Generaal. Deze bepalingen staan in de herziene grondwet van 1983 (art.23, lid 1 en 8). Deze bepalingen gaan in een ononderbroken lijn terug tot de eerste grondwet van het koninkrijk in 1814. Daarbij is er een verbinding te leggen met besluiten van de eerste volksvergadering van de Bataafse Republiek in 1796. Toen werd gesteld dat er behoefte is aan staatszorg voor onder meer het onderwijs.

 

Het geven van onderwijs is grondwettelijk vrij, behoudens het toezicht van de overheid (art.23, lid 2). Dat houdt in dat iedereen - vanuit de eigen levensbeschouwelijke richting, die confessioneel en niet-confessioneel kan zijn - een door de staat gefinancierde, privaatrechtelijke school kan stichten en inrichten. Dit recht is het resultaat van de langdurige schoolstrijd in de negentiende en begin twintigste eeuw, die eindigde met de zogeheten pacificatie in 1917.

 

Naast het privaatrechtelijke (bijzonder) onderwijs bestaat het publiekrechtelijke (openbaar) onderwijs voor alle gezindten, georganiseerd van staatswege. Samen vormen zij het duale onderwijsbestel.

 

De zittende regering tornt-  in de lijn van haar regeerakkoord en het advies volgend van de Onderwijsraad - niet aan artikel 23, lid 1 t/m 8, van de grondwet. Zij neemt geen afstand van het duale onderwijsbestel (openbaar en bijzonder). Waar nodig geeft zij wel een bij onze tijd passende invulling van de grondgedachte achter artikel 23.

 

In haar brief over Onderwijs, Integratie en Burgerschap in het voorjaar van 2005 aan de Tweede Kamer stelt de huidige minister van OCW dat de vrijheid van onderwijs geen vrijbrief is, maar dat er van staatswege op alle openbare en bijzondere scholen grenzen aan deze vrijheid worden gesteld. Zo worden de scholen geïnspecteerd of “de kernwaarden van de democratische rechtsstaat en de algemene maatschappelijke basisnormen voldoende in acht worden genomen”. Voorts geeft de minister in haar brief aan dat zij de flexibiliteit van het grondwetsartikel 23 wil benutten om sociale integratie van leerlingen te bevorderen en leerlingen beter toe te rusten op een actief burgerschap in onze pluriforme, maar ook verdeelde samenleving. Zij kondigt aan dat in de Wet op het Primair Onderwijs en de Wet op het Voortgezet Onderwijs tot uitdrukking zal worden gebracht dat het onderwijs mede gericht is op de bevordering van burgerschap en sociale integratie, alsmede dat deze bevordering  zal worden opgenomen in de nieuwe kerndoelen voor dat onderwijs. Inmiddels moeten sinds 1 februari 2006 scholen het vak ‘burgerschapsvorming’ op hun lesrooster hebben staan.

 

 

Toekomst

 

Het is aan de tijd dat de zorg van de staat voor het onderwijs in internationaal / mondiaal perspectief wordt geplaatst en dat (grond)wettelijke teksten dienovereenkomstig worden aangepast. Met name moet daarbij rekening worden gehouden met onderschreven verklaringen en geratificeerde verdragen, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (1950), de Verklaring van de Rechten van het Kind (1959) en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989).

 

In het bijzonder moet artikel 23 van de grondwet - met zo weinig mogelijk woorden - worden geherformuleerd, zodanig dat de essentialia van genoemde documenten daarin tot uitdrukking worden gebracht.

 

Gelet op de gegroeide historische situatie in Nederland en  gelet op de ontwikkelingen wereldwijd op het gebied van de rechten van de mens en de rechten van het kind, dient artikel23  in concreto tenminste de volgende elementen te bevatten:

  • Het onderwijs is vrij.
  • Het onderwijs is algemeen toegankelijk.
  • Het onderwijs wordt voorwaardelijk gefinancierd.
  • De uitgangspunten, de benaderingswijzen en de doelstellingen van het onderwijs zijn doortrokken van de rechten van de mens en de rechten van het kind. (Het onderwijs heeft een pedagogische opdracht in de geest van de mensen/kinderrechten.)
  • In het onderwijs wordt aandacht besteed aan de rechten van de mens en de rechten van het kind (de formulering, de geschiedenis, de verdediging, de rechtvaardiging).

 

In het begin van de jaren negentig schreef een promovendus aan de Universiteit Maastricht de volgende stelling bij zijn proefschrift: “Onderwijs is te veel vrijheid van richting en te weinig vrijheid van inrichting”.  Deze stelling slaat de spijker op de kop. Onderwijs in het huidige millennium dient vrijheid in grondwettelijke gebondenheid te zijn. Onderwijs moet de beheersing van een te grote maatschappelijke diversiteit kunnen versterken.

 

 

Stelling

 

De politieke partijen moeten de herformulering van artikel 23 van de grondwet in de geest van de rechten van de mens en de rechten van het kind in hun verkiezingsprogramma voor de verkiezing van de Tweede Kamer in 2007 opnemen.

 

 

Lelystad / Utrecht, mei 2006.                                 

Cornelis Schavemaker & Joop de Vries

 

 

Cornelis Schavemaker is filosoof en zet zich in voor wijsgerige vorming op scholen in Nederland. Hij is bestuurslid van de Liga voor de Rechten van de Mens.  E-mailadres: corschav@wanadoo.nl

Joop de Vries is oud-hoofdinspecteur van het onderwijs en was vice-voorzitter van het Platform voor de Pedagogische Opdracht van het Onderwijs, destijds ingesteld door de toenmalige onderwijsminister Jo Ritzen. E-mailadres: JKVRIES@wxs.nl

 

 

Bijlage

 

Citaten

 

Uit het door Nederland geratificeerde Verdrag inzake de Rechten van het Kind:

Artikel 29
1. De Staten die partij zijn, komen overeen dat het onderwijs aan het kind dient te zijn gericht op:
a. de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind;
b. het bijbrengen van eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en voor de in het Handvest van de Verenigde Naties vastgelegde beginselen;
c. het bijbrengen van eerbied voor de ouders van het kind, voor zijn of haar eigen culturele identiteit, taal en waarden, voor de nationale waarden van het land waar het kind woont, het land waar het is geboren, en voor andere beschavingen dan de zijne of hare;
d. de voorbereiding van het kind op een verantwoord leven in een vrije samenleving, in de geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid, gelijkheid van geslachten, en vriendschap tussen alle volken, etnische, nationale en godsdienstige groepen en personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking;
e. het bijbrengen van eerbied voor de natuurlijke omgeving.

Artikel 42
De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe de beginselen en de bepalingen van dit Verdrag op passende en doeltreffende wijze algemeen bekend te maken, zowel aan volwassenen als aan kinderen.