Het recht op een vrije mening enerzijds en deze te uiten, anderzijds, zijn twee dingen

Activiteiten

Geen gerelateerd activiteiten in de komende periode gevonden.

Het artikel van Rob Wijnberg is belangwekkend en actueel. Het recht op een vrije mening enerzijds en deze te uiten, anderzijds, zijn twee dingen. Uiteraard gaat het in het maatschappelijk verkeer om het laatste. Het eerste: het hebben van een bepaalde mening is zelfs nog tegenwoordig in sommige dictatoriale staten in de wereld strafbaar, vooral als het een met het regime afwijkende mening betreft. Daar kennen we voorbeelden van. De vrijheid van meningsUITING zoals deze bij ons bekend is, is in artikel 7 van onze grondwet en in artikel 10 van het EVRM (eenvormig verdrag rechten v.d. mens)neergelegd en dus een geschreven wet.In artikel 7 van onze grondwet staat "dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft om doordrukpers gedachten of gevoelens te openbaren,behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de Wet". Deze tekst, oospronkelijk uit het begin van de 19e eeuw, is praktisch moeilijk toepasbaar. Want waar eindigt ieders vrijheid en begint ieders verantwoordelijkheid. In het veld van subjectiviteiten is het voor een ieder moeilijk die verantwoordelijkheid die de Wet van ons eist, te kennen. Daarvoor hebben wij juristen en rechters die met "kennis van zaken" en onafhankelijk geacht worden voor ons uit te maken wat in strijd met de wet is (en wat niet). In deze tijd van open communicatie en grote vrijheid, althans bij ons, wordt zeer veel, zelfs door juristen, door de vingers gezien wat eigenlijk niet zou kunnen volgens de wet. Daarom is er momenteel een politieke discussie gaande of het recht op vrije meningsuiting niet/wel uitgebreid moet worden. Naar mijn mening zal de wetgever bij dit onderwerp zeer op zijn hoede moeten zijn om niet door de op een snelle uitbreiding uit zijnde voorstanders  voorbijgestreefd te worden.

mr Siegfried B. Stranders

 

Reacties

Artikel 7 gaat over vrijheid van meningsuiting

De relevantie van het gemaakte onderscheid tussen het recht op een vrije mening en het recht op vrije meningsuiting ontgaat mij. 'Gedanken sind frei' en dat blijft zo, ongeacht het regime, zolang het technisch onmogelijk is gedachten te lezen. En tegelijkertijd is het recht op een vrije mening betekenisloos zonder het recht op vrije meningsvorming, waarvoor het kennisnemen van vrijelijk verspreide feiten en meningen onmisbaar is. Kortom het recht op een vrije mening is onbestaanbaar zonder het recht op vrije meningsuiting.
De essentiële vraag hierbij is door welke rechten en belangen de vrijheid van meningsuiting begrensd mag worden. Ik zie niet in waarom dit meer zou moeten zijn dan de huidige wettelijke bepalingen over smaad en laster en haatzaaien. Maar ook niet welke verruiming er vereist is, behalve het afschaffen van de aparte bepaling over smadelijke godslastering.