Geen gerelateerd activiteiten in de komende periode gevonden.

Geboren 29 juli 1925 te Chios (een Grieks eiland)
Citaat: “Ik weet niet hoe het woord “NATO” klinkt in de oren van andere Europese volkeren, maar in de oren van het Griekse volk klinkt het als een vloek.”
Mikis Theodorakis is een wereldberoemdheid sinds zijn verzet tegen het Griekse kolonelsregime. Bovendien is hij een al even bekend musicus. Hij is minister geweest en lid van het parlement. Soms neemt hij radikale standpunten in en neemt hij geen blad voor de mond, waardoor zijn reputatie enigszins omstreden is. In dit portret ligt de nadruk op zijn politieke activiteiten.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam Theodorakis als 17-jarige deel aan een demonstratie tegen de Italiaanse bezetting, werd gearresteerd en gemarteld. Na de oorlog nam hij deel aan de Griekse burgeroorlog. Zijn eerste symfonie componeerde hij in de gevangenis van Makronissos.
Na het einde van de burgeroorlog in 1949 begon men met de wederopbouw. Griekenland ontving daarvoor Marshall-hulp. De grote politieke tegenstellingen bleven; de communistische partij was verboden. Wel kregen vrouwen kiesrecht.
In 1950 rondde Theodorakis zijn opleiding in diverse muziekvormen af aan het Atheense conservatorium. Van 1954 tot 1960 studeerde hij en gaf hij uitvoeringen in steden als Parijs, Londen en Stuttgart. Als een Griekse poëet hem gedichten stuurt over de dood van een arbeider tijdens een staking, componeerde Theodorakis muziek daar voor, ‘Epitafios’, en besloot hij terug te keren naar zijn geboorteland. Het parlementslid Lambrakis werd in 1963 vermoord en Theodorakis volgde hem op. De film ‘Z’ is gebaseerd op deze moord. Een periode van drukke politieke activiteiten brak aan voor Theodorakis: voorzitter van de jeugdbeweging ‘Lambrakis’, gesprekken met aartsbisschop Makarios om de spanningen op Cyprus te verminderen en een poging om de tegenstellingen in de Griekse maatschappij te verzoenen door een muziekspel ‘Het lied van de Dode Broer”.
Vanaf de verkiezingen in 1961 en nog sterker na de dood van de Griekse koning Paul I in 1964 namen de politieke conflicten toe. Paul I werd opgevolgd door zijn zoon Konstantijn II. Een jaar later werden een aantal linkse militairen gearresteerd op verdenking van het plegen van een staatsgreep. De zoon van premier Papandréou, Andreas, zou hierbij een – tot op heden onduidelijke - rol hebben gespeeld. Koning Konstantijn zag hierop zijn kans schoon om de premier te ontslaan. Onlusten en langdurige kabinetscrises waren het gevolg. In april 1967 deden in deze chaotische situatie een aantal rechtse officieren een geslaagde greep naar de macht, de kolonels-coup. Vele democratische politici werden gearresteerd of vluchtten naar het buitenland.
De muziek van Theodorakis behoorde bij de vele culturele uitingen die de kolonels verboden. Al in mei 1967 organiseerde Theodorakis met anderen een oppositiebeweging. Een paar maanden later volgde zijn arrestatie. Ondanks zijn detentie en verslechterende gezondheid slaagde hij er in muziek te componeren en naar buiten te smokkelen.
In Nederland vertolkte Liesbeth List in 1967 met veel succes liederen van hem.
Onder druk van tientallen wereldberoemde schrijvers en artiesten liet het regime hem in april 1970 naar Parijs vertrekken.
Theodorakis ontplooide wereldwijd een reeks van activiteiten gericht tegen het kolonels-regime: concerten, optredens met bekende persoonlijkheden en interviews. Hij betrok daarbij de positie van andere onderdrukte volkeren als de Spanjaarden (toen nog onder de dictatuur van Franco), Portugezen (onder de dictatuur van Salazar), Iraniërs, Koerden, Turken, Chilenen (na de coup van september 1973) en Palestijnen.
Hij spande zich in om de linkse en rechtse poltici te verenigen tegen het kolonels-regime. Na het mislukken van het Cypriotische avontuur in 1974 zag het regime zich genoodzaakt om de macht aan de rechtse politicus Karamanlis over te dragen.
Bij zijn terugkomst wachtten tienduizend mensen hem op.
Theodorakis zette zijn pogingen om de politieke tegenstellingen te verzoenen voort, ook als parlementariër (gekozen in 1981 - eveneens het jaar van toetreding van Griekenland tot de Europese Unie), maar raakte gaandeweg daarover ontmoedigd. Zijn oorspronkelijke sympathie voor de PASOK-partij van Andreas Papandreou verdween, omdat zijn pogingen om de Grieks-Turkse animositeit te verminderen door PASOK werden gefrustreerd en de toenemende cooruptie binnen die partij.
In 1989 keerde hij terug in het Griekse parlement op de lijst van de conservatief Mitsotakis en trad in 1990 toe als minister in diens regering (aftreden in 1992).
Vanaf 1993 leidde hij het Symphonie Orkest en Koor van de Griekse radio. Hij bleef muziek en politiek met elkaar verbinden; zo verzorgde hij in 1997 een concert in Skopje om Macedonië en Griekenland te verzoenen. Eerder was hij voor de Griekse handelsboycot van Macedonië geweest. Hij hoopte toen dat Griekenland uit de Europese Unie zou worden gegooid.
Met enige regelmaat ventileert Theodorakis omstreden opinies.
Wanneer in 1999 de NAVO Servië bombardeert wegens de onderdrukking in Kosovo, tekent hij protest aan. Hij keert zich tegen het referendum van 1 mei 2004 over de toetreding van de Griekse Cyprioten in de Europese Unie. In hetzelfde jaar geeft hij te kennen dat de Joodse gemeenschap veel van de Amerikaanse economie controleert. Een jaar later is hij boos wegens een voorstel in het Europese parlement over een veroordeling van het communisme: “Helden worden gelijkgesteld met misdadigers”. In maart 2009, bij het 60-jarig bestaan van de NAVO. roept hij op om het bondgenootschap te ontbinden. Hij beschouwt het als een instrument van Amerikaanse imperialisten.
Geen activiteiten in de komende periode gevonden.