Geen gerelateerd activiteiten in de komende periode gevonden.
Eerherstel voor het vrijzinnig individualisme
Dick Pels
Benoemen en bouwen moeten we van Doekle Terpstra. Niet polariseren en vooral positief zijn, zodat burgers zich met elkaar verbinden. Het is goed dat de handschoenen uit gaan om Wilders c.s. ook buiten het parlement wat steviger aan te pakken. Maar de blote vuist van Terpstra blijkt helaas een slap multicultureel handje te zijn.
Sinds wanneer is ‘benoemen’ iets wat mensen verbindt in plaats van scheidt? ‘Benoemen, aanpakken en oplossen’ zijn eerder krachttermen van kritici zoals Wilders en Verdonk die de tolerante vermijding van integratieproblemen hekelen. Volgens Terpstra mag de vrijheid van meningsuiting niet worden misbruikt om elkaar te kwetsen. Maar kwetsen is bijna onvermijdelijk in een scherp waardengevecht.
Zoals de socioloog Erik van Ree zegt: tolerantie betekent niet dat men elkaar respecteert, maar dat men de afwezigheid van respect over en weer probeert uit te houden, zonder elkaar de hersens in te slaan. Zo moeten wij Wilders’ recht op vrije meningsuiting blijven verdedigen, maar dat betekent natuurlijk niet dat wij zijn abjecte meningen moeten respecteren. Moeten we respect opbrengen voor het christelijke machismo van de mannenbroeders van de SGP, voor de even christelijke homofobie van bepaalde CU’ers, of voor de minachting van orthodoxe moslims voor (ons) ongelovigen?
Terpstra wil terugkeren naar de wortels van de Nederlandse traditie van openheid en tolerantie. Maar die traditie gaat eerder over het moeizaam verdragen van en schipperen met culturele verschillen dan over gemeenschapszin, saamhorigheid en wederzijds respect. In plaats van de christelijke broederschap is het dan ook passender om het vrijzinnige individualisme aan te wijzen als grondtoon van de Nederlandse samenleving en politiek en als kernwaarde van de veelbesproken Nederlandse identiteit.
Vrijzinnigheid is de vrijheid om anders te denken en te leven. De filosoof Kant gaf de Verlichting als slogan mee: ‘durf voor jezelf te denken, tegen alle gezag in’. Die geesteshouding verhoudt zich slecht tot absolute zekerheden en ingesleten dogma’s. Zij staat principieel open voor kritiek. Zij durft te twijfelen en relativeert het eigen gelijk, en botst dan ook met alle vormen van fundamentalisme. Vrijzinnigheid staat voor een principieel pluralisme en de toegang van alle overtuigingen en levensvormen tot het publieke en politieke domein. Dat veronderstelt de principiële gelijkwaardigheid van alle mensen, een goed functionerende democratische rechtsstaat en een radicale gelijkheid van kansen op individuele zelfontplooiing.
Het vermogen tot relativeren van de eigen inzichten en standpunten is daarmee een beschavingswaarde en een ‘inburgeringseis’ die geldt voor alle deelnemers aan het democratische debat. In die zin kan het vrijzinnig individualisme worden opgevat als een publieke norm, en als de kern van een nieuw beschavingsoffensief. Zij onderstreept het recht van allen om een geloof te omarmen of ervan af te vallen, en om gemeenschappen vrijelijk te kiezen of te kunnen verlaten. De rechtsstaat is in dit opzicht niet neutraal maar normatief geladen. Zij verdedigt de individuele vrijheid van levensbeschouwing en levenswijze, ingeperkt door het schadebeginsel en het discriminatieverbod, en legt daarmee het recht op anders zijn grondwettelijk vast.
In het politieke landschap zijn vrijzinnige waarden opnieuw prominent aanwezig, zoals de kritiek van linkse en rechtse liberalen op het ‘betuttelende’ beleid van het sociaal-christelijke kabinet laat zien. De PvdA zou daarin het vrijzinnige element vertegenwoordigen. Maar velen vinden inmiddels dat de mooie woorden uit het beginselmanifest van 2005 (‘Wij verdedigen een vrijzinnige moraal’) niet worden waarmaakt en de PvdA teveel meebuigt met een paternalistische agenda. Kamerlid Jeroen Dijsselbloem, de voortrekker van dit nieuwe paternalisme, kreeg door de jeugdafdeling van zijn partij al het lidmaatschap van de ChristenUnie aangeboden: ‘Wij, de Jonge Socialisten, zijn vrijzinniger’.
GroenLinks-fractieleider Femke Halsema komt de eer toe het begrip enkele jaren geleden weer op de politieke agenda te hebben gezet. Ook D66 eigende zich in zijn verkiezingsprogramma de term toe: ‘Wij zijn de vrijdenkers van de politiek’. Voormalig fractieleider Lousewies van der Laan noemde ‘het recht op vrijzinnigheid’ een kernwaarde van D66. Voor haar opvolger Alexander Pechtold is het liberalisme in zijn zuivere vorm ‘vrijzinnig en sociaal’.
Zo is vrijzinnigheid vooral door links herontdekt als politieke categorie. Het begrip heeft daarmee een verbreding ondergaan ten opzichte van traditionele religieus-kerkelijke associaties, zoals die met rekkelijke vormen van protestantisme en de oude VPRO. Maar men vergeet gemakkelijk dat de vrijzinnigheid al in de eerste helft van de vorige eeuw een grote rol speelde in de Nederlandse politiek: in de gedaante van de Vrijzinnig-Democratische Bond, die in 1901 werd opgericht en in 1946 opging in de PvdA. Op zoek naar een nieuwe centrumlinkse politieke beweging kan die partij de nodige inspiratie bieden.
Gedurende haar 45-jarig bestaan probeerde de VDB consequent het juiste evenwicht te vinden tussen het individuele en het sociale. Zij keerde zich zowel tegen een eenzijdig individualisme dat het eigendomsrecht als absoluut beschouwde, als tegen een eenzijdig socialisme dat streefde naar nivellerende gelijkheid. Het leidende beginsel van de partij was dat de ontwikkelingsvoorwaarden voor ieder gelijk moesten zijn. Men wilde geen ‘onbestaanbare’ gelijkheid of opheffing van de prikkel van de concurrentie, maar wél bescherming van de economisch zwakkeren en een rechtvaardiger inkomensverdeling. De beloningen in de verschillende takken van arbeid moesten in een redelijke verhouding tot elkaar staan. De particuliere bedrijfsvrijheid moest worden behouden, maar de ongebreidelde concurrentiestrijd moest door samenwerking worden gematigd.
Misschien moet het opgaan van de VDB in de PvdA in 1946 als een historische vergissing worden beschouwd. Onder druk van de concurrentie met de succesvolle CPN boog zij al snel terug naar de rode symbolen en socialistische beginselen van de vooroorlogse SDAP. Voormalig VDB-minister van Financiën en burgemeester van Rotterdam Pieter Oud brak daarom eind 1947 met de PvdA, ook omdat de partij hem vanwege zijn ‘rechtse’ verleden niet wilde voordragen voor de Eerste Kamer. Het jaar daarop richtte hij met andere liberalen de VVD op. Ofschoon de PvdA vrijzinniger was dan de SDAP en de VVD socialer dan haar voorganger de Liberale Staatspartij, raakten socialisme en liberalisme opnieuw gepolariseerd. Omdat de breuk met Oud waarschijnlijk te voorkomen was geweest, heeft de PvdA de VVD in zeker opzicht aan zichzelf te danken.
D66 heeft opnieuw geprobeerd om de derde weg van de VDB te bewandelen, maar slaagde er niet in de klassieke links-rechts tegenstelling daadwerkelijk te doen ‘ontploffen’. Daarvoor fungeerde zij teveel als bijwagen van zowel linkse als rechtse regeringen, zonder een eigen politieke zwaartekracht te ontwikkelen. De radicale kansengelijkheid die de VDB voorstond heeft zij nooit duidelijk geformuleerd of verdedigd. Die erfenis wordt beter opgenomen door de Halsema-stroming in GroenLinks, maar deze is lang niet onomstreden. De sociaal-liberale helft van de PvdA, die zich eerder vertegenwoordigd voelt door het vrijheidslievende beginselmanifest dan door het huidige compromissenbeleid, heeft weinig stem en energie. Wonderlijk genoeg herhaalt de naoorlogse geschiedenis zich, voorzover de PvdA opnieuw terugbuigt naar oude vormen en gedachten nu zij moet concurreren met een ‘echte’ socialistische partij zoals de SP.
Een opvolger van de VDB moet het gehele traject bespelen tussen SP en VVD, om opnieuw een derde weg te zoeken tussen de ouderwetse communitaristische sociaaldemocratie en het neoliberale marktfundamentalisme. De SP is wel een sociale maar geen vrijzinnige partij: zij heeft een centralistische, dogmatische en debatvijandige cultuur, zoals de kwestie-Yildirim en de nasleep ervan hebben aangetoond. Uitgezonderd Dijkstal, Dales en Winsemius is de VVD geen sociale en ook nauwelijks nog een vrijzinnige partij te noemen, als men let op haar door Wilders geïnspireerde islamofobie en nationalistische integratiedwang. Een vernieuwde VDB moet zich bovendien afzetten tegen religieuze, socialistische en conservatieve vormen van gemeenschapsdenken zoals die te vinden zijn bij de SP, het CDA, de ChristenUnie, de PvdA en in restvorm ook bij GroenLinks.
Het parool is niet alleen om het liberalisme te redden van rechts, maar ook om het socialisme te redden van links. Welke term voor dat streven precies wordt gebruikt: sociaal-individualisme, linksliberalisme, sociaal-liberalisme of vrijzinnig socialisme, is niet zo interessant. De kern van de zaak is de directe koppeling tussen vrijzinnigheid en democratische kansengelijkheid, die elkaars levensvoorwaarde vormen. Dat de vrijheid er ‘voor allen’ moet zijn vereist een radicale gelijkheid van kansen die niet terugdeinst voor de herverdeling van economisch en cultureel bezit, en dus voor een meer rechtvaardige spreiding van inkomen, kennis en macht. Het doel is om zoveel mogelijk mensen de materiële kansen te bieden om zichzelf cultureel te verheffen en het vrijzinnige individualisme te ontwikkelen dat nog steeds het privilege is van een kleine groep. Deze heruitvinding van de cultuursocialistische verheffingsgedachte veronderstelt het optreden van een zelfbewuste elite die niet bang is om haar sociale vrijheidsideaal voor te houden aan de burgers in plaats van hen populistisch te volgen en na te praten.
Die radicale kansengelijkheid moet worden gecombineerd met een even radicaal democratiseringsprogramma dat de traditie van de VDB en D66 (én die van Fortuyn!) eer aandoet, en waar partijen als de PvdA en GroenLinks op hun beurt niet veel in lijken te zien. Binnen het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging moet worden gezocht naar mogelijkheden voor directe democratie, niet alleen via referenda en burgerinitiatieven maar ook via de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester en de minister-president. Zonder concessies te doen aan het populisme, kan op een positieve manier worden ingespeeld op de personalisering en mediatisering van de politiek. Het districtenstelsel is een negentiende-eeuws anachronisme dat de VDB met de kiesrechthervorming van 1917 terecht achter zich liet.
De gevestigde politieke partijen volharden in een vorm van kartelpolitiek met tal van perverse effecten, zoals een verstikkende coalitiedwang en fractiediscipline, een praktijk van uitruil-benoemingen in het openbaar bestuur, en een bijna structurele leugenachtigheid en hypocrisie. We moeten toe naar een andere politieke stijl die een graadje eerlijker en persoonlijker is, en die de fractiedwang en lijstjescultuur zoveel mogelijk vermijdt. Ook hier biedt de VDB met zijn lossere organisatiemodel de nodige inspiratie. Het wordt tijd voor een politieke partij-nieuwe stijl die collectivisme en stemdwang vermijdt, maar krachtig genoeg is om ideeën om te zetten in politieke macht. Die de achterhaalde scheidslijnen tussen de bestaande centrumlinkse partijen opheft en het politieke landschap opnieuw indeelt. Een partij die het politieke individualisme koestert, de democratische vernieuwing krachtig oppakt, de haperende kansenmachine weer aanzwengelt en scherp front maakt tegen het nieuwe volksnationalisme van Wilders en Verdonk. Het wordt tijd voor een nieuwe Vrijzinnig-Democratische Bond.
Dick Pels is voorzitter van de linksliberale denktank Waterland (www.waterlandstichting.nl). Op maandag 21 januari organiseerde zij in De Balie een debat over de toekomst van vrijzinnige politiek, mede n.a.v. de heruitgave van een programma-brochure van de VDB uit 1937. Dit stuk verscheen ter aankondiging van dit debat in NRC Handelsblad van 12 januari 2008.
Geen activiteiten in de komende periode gevonden.