Geen gerelateerd activiteiten in de komende periode gevonden.
Patrick van Schie
De Nederlandse politiek is lamgeslagen door onrust en eigen onvermogen. Onder veel burgers heerst een onbehagen dat zich uit in wispelturig gedrag in het stemhokje. Politici zitten niet alleen met de handen in het haar tegenover hun op drift geraakte kiezers, maar ook tegenover de maatschappelijke problemen die het onbehagen voeden.
Die problemen zijn grotendeels op één verschijnsel terug te voeren: de staat is poreus geworden. Onze parlementaire democratie heeft lang gefunctioneerd in de vertrouwde bedding van een nationale staat. Politieke verlanglijstjes werden via de staat gerealiseerd in een nationale samenleving. Onze samenleving wordt echter in toenemende mate geraakt door internationalisering, de staat verliest aan handelingsvermogen. Het instrument van politici werkt niet meer als vanouds.
Het is van belang spontane internationalisering te onderscheiden van gestuurde internationalisering. Onder spontane internationalisering vallen: economische globalisering, allerlei andere vormen van contacten tussen individuen waar ook ter wereld, culturele invloeden en blijvende verplaatsing van mensen (migratie). De eerstgenoemde vormen van spontane internationalisering zijn autonome verschijnselen: het heeft evenveel zin tegen globalisering te zijn als tegen regen. Het is niet mogelijk (zo het al wenselijk ware) haar buiten de deur te houden, tenzij wij ons zouden opsluiten in een autarkisch-totalitaire staat à la Noord-Korea of Birma. Wij kunnen ons daarom maar beter instellen op spontane internationalisering.
Liberalen zijn daartoe beter in staat dan hun politieke concurrenten. Dat individuen bij het leggen van contacten met anderen zo min mogelijk gehinderd worden (door bijvoorbeeld grenzen) en dus naar eigen voorkeur kunnen handelen, vormt de kern van hun gedachtengoed. Dat globalisering het de staat onmogelijk maakt nog langer diep in het maatschappelijk leven in te grijpen, kunnen liberalen slechts verwelkomen. De staat kan in een geïnternationaliseerde omgeving veel niet meer waar hij naar liberale opvatting toch al beter van af had kunnen blijven. Globalisering zal de staat nopen zich terug te trekken op zijn kerntaken. Eindelijk!
Met betrekking tot die vormen van spontane internationalisering die onze nationale staat in zijn grondslagen raken, ligt het iets ingewikkelder. Het gaat vooral om vestiging van migranten voor zover zij culturele waarden in hun bagage hebben die de grondslagen van onze liberale rechtsstaat kunnen aantasten. Internationalisering betekent niet dat de nationale staat zal verdwijnen; integendeel, wij kunnen des te opener en zelfverzekerder de wereld intrekken als wij ons zeker weten van een veilige thuisbasis. In die basis moeten de in onze rechtsstaat verankerde verworvenheden van de Verlichting fier overeind kunnen blijven. De nationale staat moet migratie, zeker als het gaat om vaste vestiging en verwerving van burgerschap, kunnen reguleren om te garanderen dat die rechtsbasis veilig en vertrouwd blijft.
Twee belangrijke vormen van gestuurde internationalisering zijn de Europese integratie en het uitdijende internationale verdragsrecht. Dit zijn géén autonome verschijnselen, maar ontwikkelingen die bewust (ooit) door politici in gang zijn gezet. Het is dan ook mogelijk invloed erop uit te oefenen. Zo is Europese integratie niet, om een vaak gebruikte valse metafoor aan te halen, een trein die almaar ‘verder’ rijdt en waarop wij ons maar willoos moeten laten meevoeren. Als zij lijkt op een trein, dan toch een die – als de passagiers dat wensen – ook vaart kan minderen, kan stoppen (en passagiers laten overstappen) of een andere bestemming kan krijgen dan de politici ‘op de bok’ in gedachten hadden.
Europese integratie is ten dele een poging tot antwoord op het functieverlies van de nationale staat als gevolg van internationalisering. Maar zij vormt geen wezenlijk antwoord: schaalvergroting maakt niet minder poreus. En schaalvergroting werkt contraproductief, zeker in een democratie, wanneer een nieuwe staat wordt gecreëerd zonder dat er een dragende gemeenschap is. Oftewel: pogingen om de Unie anders te definiëren of in te richten – uitbreiding van de EU of herziening van haar constituerend verdrag – dienen niet plaats te vinden zonder dat in alle deelnemende staten de bevolking expliciet in een referendum te kennen geeft daarmee in te stemmen. Pas een dergelijke uitdrukkelijke instemming biedt een draagvlak waarop zo’n herziene EU kan rusten. Toen daarentegen het kabinet-Balkenende-IV ten antwoord aan het ‘nee’ van de Nederlandse bevolking op 1 juni 2005 de burgers maar helemaal buitenspel zette, gaf het een brevet van onvermogen af én gaf het voeding aan een begrijpelijk onbehagen onder burgers over de democratische gezindheid van hun bestuurders.
Internationale verdragen ontspruiten evenzeer aan het verlangen greep te houden op internationaliserende samenlevingen. Maar net als de staat dient het internationaal verdragsrecht dan wel tot de kern beperkt te blijven. Internationale verdragen zijn veel moeilijker te wijzigen dan nationale wetten. Politici moeten niet hovaardig denken de wijsheid in pacht te hebben zelfs voor komende generaties. Met meer verdragen binden wij komende generaties, en zo krimpen wij hun democratische speelveld in. Uitdijing van het internationaal verdragsrecht getuigt dan ook niet slechts van voortsluimerende maakbaarheidspretenties van politici maar bovenal van een grenzeloze minachting voor het democratisch gehalte van onze nazaten en de door hun te verkiezen rechtsgemeenschap.
De auteur schreef deze tekst op verzoek van het Financieel Dagblad. Aldaar verschenen, d.d. 17 mei 2008.
Geen activiteiten in de komende periode gevonden.